Verword (Hondenwacht 9)

‘We gaan een knoopje harder,’ zeg ik. Daar heb ik geen snelheidsmeter meer voor nodig. De helling en het geluid van hoe de boot door het water snijdt, zeggen genoeg. Ik verzeil, verboot, mijn buitenkant word langzaam de huid van het schip. Alle impulsen rechtstreeks doorgegeven van de polyester scheepswand naar mijn kouwelijke kippenvel. Meer helling voel ik in mijn buik, meer wind rond mijn maag, in een vlaag kromt mijn rug om daarna beetje bij beetje rechtop te komen en de extra druk om te zetten in snelheid. Ik verword tot boot, tot zeil. Oh, span mijn vallen, regel mijn schoten, zodat ik naar de overkant kan snellen en daar mijn lief begroeten kan. Eindelijk haar lippen weer mag proeven als een streling op mijn tong, een zachte huivering die hoorbaar is in het trillen van de mast. Oh, leg mij vast aan tros en spring zodat ik op mijn plek blijf, naast mijn lief, vlak naast mijn lief, zodat haar huid mij raakt en zij liefkozend meedeint op de golven die vanuit een verre oceaan de boot bewegen doen.

Hondenwacht 8

Vaart die visser nou een rondje om me heen? Het kompas lijkt op hol te slaan, de zeilen klapperen. Dan ineens snap ik dat ik het ben die draait. Het is donker, er is een flauw windje en een felle stroom rukt aan het schip. Even let ik niet op en ik heb geen idee meer waar ik ben of hoe ik dit moet corrigeren. Ik vloek hardop.
‘Gewoon terug op je koers,’ roept de schipper vanuit de kajuit, ‘terug naar 270 graden op je kompas. Je zou een ster moeten uitzoeken en daar op koersen.’
Het is bewolkt en in de gaten tussen de wolken blinkt soms heel eventjes een ster. Daar is niet op te koersen. Krampachtig tuur ik naar het kompas en doe mijn best de boot precies op de gewenste koers te houden. Links weet ik scherpe rotsen, rechts een paar gemene ondieptes, en de allerkleinste beweging van het roer brengt de boot volledig uit koers. Het bevalt me niet. Ik zie niks, weet niks, voel niet wat de boot doet, voel geen controle bij wat ik doe en hoop op een wonder dat me helpt op koers te blijven. De fel verlicht vissersboot stuift me voorbij. Na een poosje valt het me op dat de visser al een tijdje voor me uit vaart. Ik mik de boeg op de deklampen van de vissersboot en controleer mijn koers, 270. Nog zeker twee uur volg ik zijn spoor terwijl hij langzaam uitloopt en in de verte verdwijnt. Als mijn wacht erop zit, kijk ik op de plotter die de gevaren koers bijhoudt, ik vergroot het beeld naar maximaal en zie aan het begin van mijn wacht de boot een keurig achtje draaien.

Hondenwacht 7

Deze nacht is anders. Wollig, wattig. Pluizige wolken die de maan verhullen. Ik voel me klein en de zee lijkt groter dan ooit. Soms zijn er schepen in de buurt, maar ze konden er net zo goed niet zijn. Eilanden zijn het. Ieder schip een wereld op zich met daarop stille mannen in hun eigen universum. Soms schuiven twee boten langs elkaar, twee wezensvreemde werelden. Er is geen contact, geen groet, geen warm gebaar. Ze schuiven langs elkaar. Dat is het dan. Dat is het.
Even dacht ik land te zien, ver weg op de horizon en ik haastte me de trap op naar de kuip. Maar eenmaal aan dek zag ik niets bijzonders. Terug achter de kaartentafel droom ik van zon, vers brood, vrolijke stemmen en het gezellige gebrom van auto’s.

Soms

‘Ik wil graag de expositie bezoeken, wat kost dat?’
‘Hoe oud bent u?’
De vraag verrast me en ik aarzel even. De hal van het cultureel centrum van het Portugese toeristenstadje is lekker koel. Het ligt vlakbij de haven waar we een zeil laten repareren en ik heb me naar binnen laten lokken door de intrigerende poster voor een foto-expositie.
De dame achter de balie kijkt me vragend aan.
Net als ik adem haal om iets terug te zeggen, tovert ze een brede glimlach op haar gezicht.
‘Bent u niet toevallig 65?’ vraagt ze met een knipoog, ‘dan is het gratis. Ik zal een kaartje voor u printen.’

Hondenwacht 6

Het ritme van vier uur op en vier uur af is slopend. Steeds gewekt vanuit de diepste slaap en dan eindeloze uren wakker blijven. De laatste dagen dringt de droomwereld zich op terwijl ik wakker ben. Een val tikt tegen de mast en even denk ik dat er iemand op de deur klopt. Ik kijk op. Natuurlijk is er niemand hier, midden op zee. Nog een dik uur duurt mijn wacht. Ik wil naar bed en slapen, ononderbroken slapen. Buiten kreunt iets naast mijn raam zoals de hond klinkt als hij droomt van jagen en dan tevreden horen laat dat de prooi gevangen is. Voorin het schip kraakt een deur, een lijn klopt op het dek, de zeilen klapperen, de roeren kreunen. Al die losse geluidjes zijn in mijn oren een orkest, een lied dat boot en golven voor me spelen. De mast en de roeren drummen nu synchroon. Ertussendoor zingt een nieuw geluid, een diepe zucht die eindigt met het tsjilpen van een mus. En ik weet dat sirenen echt bestaan. Niet als zingende vrouwen op een eiland die mannen lokken, maar als stemmen in de oren van een wachtsman met slaaptekort die zee en oceaan bevaart. Nog een half uurtje wacht. Ik schrijf vast in het logboek en maak thee voor de volgende die wacht moet lopen. De koers is acceptabel, windhoek is oké, de positie nu niet van belang. Over en sluiten maar.

Hondenwacht 5

‘Je kunt jezelf kisten,’ zegt de schipper, ‘want jezelf opsluiten in de boot is een van de manieren om een storm te overleven.’ Ik schrik wakker uit een droom. En terwijl ik in gedachten mijn omgeving inspecteer, verheft zich honderd meter hoog een monster dat zich opkrult en neerslaat op het schip. Ik draai me om, probeer de focus van het beest af te leiden, te ontsnappen uit zijn blik, maar kan de klap niet meer ontwijken. De knal is oorverdovend hard. Het kippenvel vliegt driedubbel van mijn armen naar mijn tenen. Rechtop in bed hap ik naar adem en doe het licht aan. Het is 00.05. Vijf minuten geleden begon mijn hondenwacht. Het stormt. De wind joelt meerstemmig door het want, de roeren klapperen en de regen ratelt neer. De deur naar buiten is open. Het kraakt aan dek en het klotsen van de golven klinkt als heel groot slikken. Dorst heb ik, een volle maag. Mijn adem is inmiddels kalmer. Maar ik ben scherp, attent, vertaal ieder geluidje naar mezelf, naar de boot en verbeeld me of ik wil of niet dat er draken zijn, rovers, monsterIijke vissen. De wind trekt verder aan. Ik kijk door het raam, zie een fel verlichte kade en vlakbij nog een schip. Ach ja, we liggen voor anker in een baai. Geen hondewacht vandaag. Een van de apparaten in de keuken piept of is dit het alarm dat aangeeft dat het anker krabt? Ik wurm me uit mijn slaapzak, inspecteer de keuken. De stekker van de kookplaat zit nog in het stopcontact waardoor hij elke 5 minuten waarschuwend piept. Nog steeds heb ik een droge mond, maar water wil ik niet. Het smaakt oud en beschimmeld. Thee, nee, teveel werk. Een dropje, nee, dat proef ik morgen nog. Ik nies en kruip rillend terug in bed. Mijn slaapzak heet me welkom met warme, zachte handen.

Hondenwacht 4

Achter ons is de hemel vaag verlicht, voor ons is het donker. Het vraagt vertrouwen, zo de nacht invaren. Uren en uren kijk ik recht het duister in. Geen idee wat er voor me is of onder me of naast me. Overal is water, dat is de enige zekerheid. Zout en koud, diep, zwart water. Het waait maar licht, toch geeft het hotsen en klotsen van de boot een verwarrend gevoel van snelheid. We splijten de golven, duwen de vis opzij, laten de zeemonsters van schrik weer onderduiken. Als er maar geen rotsen zijn, onverwachte schepen of andere dingen die niet meegeven. Natuurlijk zijn we de eersten niet die hier varen. Maar wie hier voor ons was? Op het water laat je geen sporen na. Hooguit een wrak als het is misgelopen. Drie plusjes op de kaart. Op een schermpje voor mijn neus danst ons bootje over zee. Ook de andere schepen kan ik zien. Roepnaam, koers, snelheid, lengte, alle gegevens worden vermeld. Codes en cijfers. De naam van de kapitein, van de zeeman, van de eenzame nachtwacht blijft onbekend.

Eh..

De slager kijkt me vragend aan. Gehakt, wat is gehakt in het Spaans? Ik wijs op de gehaktmolen achter hem. Hij knikt en pakt een stuk vlees. Is het varken, is het rund? Eh.. De slager kijkt om. Ik knor als een varken en schud mijn hoofd, dan loei ik als een koe en knik. Hij kijkt me even onderzoekend aan, draait terug naar de gehaktmolen en maalt het vlees dat hij al had gepakt in een paar tellen fijn.